dinsdag 17 maart – mysterieus Afghaans tafelspel in Café Capitole – half een ’s nachts
Auteur van deze Fenomenale Foto: Stef Stessel
Café Capitole is de favoriete schrijfplek van Bart Van Nuffelen fenomenale regisseur van het fenomenale MartHa!tentatief.
Auteur van deze Fenomenale Foto: Stef Stessel
De goedheilige man is met zijn moren terug naar spanje vertrokken. Met het vliegtuig, weet oriane mij deze ochtend aan de schoolpoort ongevraagd te melden. Oriane haar vader is van congo en zijzelf is volgens mijn dochter ‘gemixt’. Ik heb gemaild met bert die in de uitgestrekte vlakten van de westhoek woont. Ik zag en passant een doorgestuurd (en schunnig) filmke van een japanse die al strippend over haar tanga strunkelde en van het podium stortte ergens in een club in tokyo. Vanmiddag sprak ik met een libanese dakloze die in zijn auto woont aan het kempisch dok. Ik interviewde een vrouw die zopas uit de hel terug op aarde was geland. Ik kocht een pakske margarine bij de poolse madam op de hoek (die getrouwd is geweest met een pakistaan), kuste mijn hollandse vrouw, belde met mijne moeder die in een natuurreservaat in frankrijk woont, vertrok op café om blogs te gaan typen, ging nog bij een tibetaan (dat zag ik aan zijn spleetoogskes en meer nog aan de dalai lama boven zijn kassa) een copie pakken en nu dames en heeren zit ik in café capitole, waar zoals u weet afghanen en sri lankanen hun maf spel spelen en waar een guineeer mij zonet een paar gouden horloges kwam verkopen. Om dit blogbericht zo volledig mogelijk te maken, heb ik die guineeer gevraagd vanwaar hij kwam. Hij kwam uit guinee, zo bleek.
Ik hoorde het vanmiddag op het nieuws. Van de aanslag in Peshawar, Pakistan. En gelijk bijna iedereen dacht ik ; lap, de zoveelste aanslag en ik kuiste verder het appelsap op dat het welpke in zijn woestheid had omgestoten. En terwijl ik een brullende ventje in de hoek zette, hoorde ik de journaliste zeggen dat het niet zomaar een aanslag was. Nee, het was een aanslag die heel het land in shock had achtergelaten. En bijna – bijna – klonk er ook een zweem van verontwaardiging doorheen haar stem. Dat het een bijzonder brutale aanslag was geweest. Op een vrouwenmarkt. En dat er ook al vierentwintig kinderen onder de slachtoffers waren geteld. En dat de tol nog zou oplopen, dat was zeker.
Dat is mijn tip aan de redactie van het radionieuws. Dat ze zó haast ongemerkt het grote nieuws van het kleine zouden moeten scheiden. Een klein tikje meewarigheid als prins Filip op handelsmissie naar Saoudi Arabie plots een baard blijkt te hebben. Zodat ge ongehinderd verder kunt doen waarmee ge bezig zijt. En een weinig tremelo, een iets gejaagder spreken als iedereen alles zou moeten laten vallen. En zou moeten luisteren. En zou moeten denken aan al die vaders die nu hun vrouw en kinderen zijn verloren.
En het welpke had allang beloofd in het vervolg niet meer met appelsap te smijten, en de pannekoeken waren allang op, toen ik ineens aan mijn Pakistanen dacht, rond hun rare biljart in café Capitole. Die avond na avond plezier maken en kabaal, daar in hun eigen stukske Pakistaanse hoogvlakte in deze platte stad. Zouden ze biljart spelen vanavond ? Zouden ze minder kabaal maken? Of zou er niets aan de hand zijn? Dat moest ik weten. En dus trok ik voor de derde avond op rij naar café Capitole. Hoewel ik vanavond thuis ging blijven. En eens voor den tv ging hangen. En eens naar een slecht matchke bekervoetbal ging kijken. En eens vroeg in mijn bed ging kruipen en op mijn lief, met een beetje chance.
Ik had de Tascam meegenomen. Een kei-ingewikkeld machien om goede opnames mee te maken. Een dusdanig ingewikkeld machien dat den Tim vorige week een hele voormiddag les heeft gegeven in Tascamopnames. Aan mij, Ilke en de Jowan. Ilke pakte zoveel notities dat ze niet meer kon luisteren. En de Jowan had heel den tijd liggen bewijzen hoe technisch superieur hij wel was. Hij had vragen gesteld waar de meester het antwoord schuldig op moest blijven. Maar toen hij als proef moest opnemen vergat hij op per toeval per ongeluk op ‘record’ te duwen. ‘Een prachtige opname was het’, zei hij na afloop, ‘perfect helder ook’. ‘Ja dat kan wel zijn’, zei meester Tim met een uitgestreken gezicht, ‘maar ze staat er niet op’.
Het was niet plezant in café Capitole vanavond. De roemeense dienster keek nog triestiger dan anders. De muziek stond uitzonderlijk stil. En heel de avond was er geen Pakistaan te bekennen. De Pakistaanse biljarttafel heeft daar heel den avond werkloos gestaan. Het stukske hoogvlakte was weer gewoon een naargeestig stuk grijze stad. En naarmate de avond vorderde, vreesde ik dat één van die mannen misschien een neefke was verloren. Of een verre tante. En enigszins bewaard wandelde ik al vroeg terug naar huis. Keek nog efkes naar de goals van Deinze tegen Tienen. En ik kroop in mijn bed en niet op mijn lief, want die lag al te slapen.
Al wie vandaag tussen 22u12 en 22u53 door de Gemeentestraat heeft gelopen, kon het zien. De beroemde regisseur bart van nuffelen aan zijn vast tafeltje in Cafe Capitole. Maar zegt ge terecht ; daar moet het toch geen 17 september voor zijn. Dat is waar. De voorbije maanden is café Capitole mijn favoriete avondschrijfplek geworden. Twee, drie keer per week steek ik eerst mijn welpkes mee in bed. Ik vertel hen nog een prachtlievend verhaal over steeds weer een prinses (die ik moet omschrijven als zes jaar oud, blond en net in het eerste studiejaar, anders is Reneeke kwaad) en één of ander dier (Rikske kiest elke morgen zijn dier uit, soms is hij een wolf, dikwijls een leeuw of een tijger, maar vandaag was hij een okapi, loopt hij okapigewijs door het huis, moet hij okapikleren aan en kan hij net als een okapi zijn schoenen niet zelf aandoen). En steevast bevrijdt die prinses met de hulp van die wolf, die leeuw of zoals vandaag met de hulp van die okapi één of andere prins die door een stoute heks of stiefmoeder was opgesloten. En ze gaat pas slapen, die prinses, als op het einde die prins een beetje verliefd wordt. Op die zesjarige blonde prinses. Vandaag had ik het grapke gemaakt dat die prins verliefd werd op die…okapi ! En daar kon ze dus niet mee lachen. En daarna kus ik mijn vrouw en ik vertrek.
Naar Café Capitole. Alwaar geheel passend vloeiende siroop uit de boxen druipt (ge kent da, van die negers die falset zingen, els van de martha’s noemt da prachtig ‘titjesmuziek’ en die kan het weten want die hare man is dj én die wonen in het diepste putteke van borgerhout). Op den ene tv trillen prachtig billen en op den andere tv worden onophoudelijk matchen catch gemimed. Aan het raam trekt er een stoet nachtdieren voorbij en hoe later het wordt, hoe donkerder die nachtdieren en hoe bleker ikke. En hier schrijf ik dus teksten voor de Revue. En leer ik één na één de nachtdieren kennen. Ik doe een babbeltje met ‘de juffrouw’ ; een tandeloze madam die een indrukwekkende hoop plastieken zakskes meesleurt. En soms moet ik over die zakskes waken met mijn eigen leven, als ze iets moet gaan kopen. Hiernaast. ‘Daar hebben ze koffiekoeken ook. In het begin at ik droog brood. Ik sopte dat zo in mijne koffie. Verstaat u ? Omdat dat anders zo droog is. Maar nu eet ik koeken. Lekkere koeken.’ En ik trakteer ne thee citroen aan het ouw madammeke dat ik al jaren door de Stationsbuurt zie sjokken. En ‘s morgens op een bankske in het station zie slapen. En ik probeer een andere al even oude madam op afstand te houden omdat die onophoudelijk en met diepe reutels hoest.
En waarom ge vandaag zeventien september door de Gemeentestraat had moeten lopen ? Awel, omdat mijn ontmoetingen van de voorbije maand heden avond resulteerden in een prachtig surreëel beeld. Dusdanig surreëel dat menig nachtdier halthield voor de vitrine van Cafe Capitole. En ontroerd naar binnen keek. Ze waren vanavond immers bij mij komen zitten, mijn vriendinnen, lekker dicht bijeen allemaal rond mijn tafeltje, omdat er elders geen plaats was. En dat is het beeld ; ikke driftig typend, tussen 22u12 en 22u53, omringd door de drie voornoemde vrouwtjes, allen onderuitgezakt slapend voor hun onaangeroerde thee citroen.
En net op dit moment houdt een groepke Chinezen, die ik alleen maar Chinezen noem omdat ze spleetogen hebben, halt voor het raam. En ze nemen foto’s met hun gsm. En ze joelen en lachen hun lange tanden bloot. Als nu Stefan Vanfleteren zou passeren, dan had hij zijn fototoestel opgefret omdat hij zijn fotoboek al af had. Maar het is zijn eigen schuld. Ik heb hem de voorbije jaren zeker drie omstandig gemotiveerde brieven gestuurd. Met voorstellen voor theatrale samenwerkingen allerhande. En geen één keer heeft hij ook maar geantwoord. Eigen schuld dikke bult dus.
Ik moet nog efkes terugkomen op gisteren. Op het tafereel van de slapende vrouwtjes rond het typend beest. Op dat moment zelf vond ik dat vooral schattig, die onderuitgezakte snurkende oude meisjes. Maar ondertussen vind ik het ook zélf echt spijtig dat Stefan Vanfleteren gisterenavond niet toevallig passeerde. Omdat voornoemd tafereel oneindig teder de essentie uitdrukt van alles wat de Revue zou moeten worden. De Revue moet immers vooral overlopen van mededogen. De Revue moet tonen hoe zelfs de woest reutelde en raaskallende vrouw in haar slaap zacht wordt. Hoe ge dan dwars door de groeven in haar gezicht kunt vermoeden hoe ze was als jong meisje. Antoinette wie heeft den bal. Springen met de koord. Al wie ni weg is is gezien. De Revue moet laten zien hoe elke avond drie oude vrouwen wat minuten slaap komen stelen in café capitole. Hoe de dienster om de tien minuten met haar ring op de tafel komt kloppen. Hoe ze dan met een schokske opschrikken. Wat stamelen. Naar hun thee reiken. En hoe hun hand halverwege alweer terug in hun schoot valt.
Ik begin er serieus over na te denken om ook een revue te maken in en over cafe Capitole. Het verhaal van één uur in café Capitole. Het zich steeds herhalende uur voor middernacht. Waar ge de vrouwtjes ziet slapen en weer wakker worden gemaakt. Waar Tarantino negers met spiegelende zonnebrillen biljart spelen. Waar de duistere dienster uit Roemenie komt. Waar een oneindige stoet nachtdieren aan het raam voorbijtrekt. Waar een groep Afghanen een mysterieus tafelspel speelt met witte en zwarte schijven die in gaten moeten worden gemikt. Eigenlijk biljart, maar dan op een met talk bestrooide gladde tafel. En ze roepen. En ze kwetteren vrolijk door mekaar. En af en toe slagen ze mekaar enthousiast op de rug. En alles klopt aan dat tafereel, behalve café capitole. Dat had in de Afghaanse hoogvlakte moeten liggen en niet in de gemeentestraat.
Dat soort verhalen. Een insnede in het dagelijks leven in het midden van de stad. Rond middernacht.
Ge moet het mij vergeven. Dat ik ten derder male terugkom op het tafereel in café Capitole. Ik vroeg me ineens af of ik dat al eens eerder had meegemaakt. Zo’n moment, zo’n beeld dat als bij toverslag de waarheid of de essentie voor heel even openbaart. Zo’n moment dat door de toevallige ordening der realiteit plots iets surreëel blootlegt. En het antwoord is ja. Ik heb al geluk gehad dit jaar. Of ik heb al goed gekeken, dat zou ook kunnen. En voor ik u het beeld ga beschrijven, ga ik al vertellen dat ik dat beeld weken heb gekoesterd als een schat, dankbaar dat ik het had mogen aanschouwen en triest omdat het nu voor eeuwig slechts een herinnering is.
Het was een wat druilerige woensdagnamiddag en we hadden al onze welpkes in de fiets gezet en we reden naar de Sinkskenfoor om geld te gaan opdoen. En we reden over de kasseikes van de leopold de waelplaats en op den hoek met de …straat reden we een autootje voorbij. Zo’n klein Mercedeske A, dat omvalt bij de testen. Zo een nogal recht koekedooske met alleen plaats vanvoor. En vanvoor in die auto, op de passagiersstoel, zat een madam te wachten. Een madam met een grote bos kleine krullekes en met ne lange spitse neus. Nee, bedacht ik met ne schok terwijl ik voorbij fietste. Da is gene neus. Zelfs ne lange neus kan ni zo lang zijn. Dat is ne snuit. En ik heb alles toegegooid en ben teruggedraaid. En toen pas zag ik dat het een extra-large poedel was, die daar in die auto zat te wachten. En geen madam. En toch in alles een madam. En ik zei het tegen de welpkes, ‘zie, daar in die auto zit een madam te wachten’. En die welpkes, die keken naar mij zo van ‘en dan !?’
En op de één of andere manier toonde dit moment vanalles aan. Dat de wereld lang niet zo reëel is, als ze zich voordoet. En dat poedels eigenlijk madammen zijn. En gepermanente madammen eigenlijk poedels. En dat wij allemaal dieren zijn onder mekaar. En daarom maak ik toneel dus. En daarom heb ik beslist mijn leven te vullen met verhalen te vertellen. Omdat ik niets interessanter vind dan te frommelen aan de randen van de bedrieglijke alledaagse realiteit. En daar op een gekke manier troost uit put.