maandag 22 november – lastige marokkanen
Vrijdag jl is ‘bang’ in première gegaan, ons nieuw stuk over lastige marokkanen en hoe daar een voorstelling over te maken. En we waren blij vrijdag, want het was al een goede voorstelling en we weten dat het de komende weken een ongelooflijke voorstelling zal worden, als heel de tekst gekend zal zijn en als alle moppen langs alle kanten zullen zijn besnuffeld en uitgepuurd. En daarnaast is het ook een relevante voorstelling geworden over, inderdaad, lastige marrokanen. Dat vertelt Johan Petit heel schoon; hoe gelijkend het leven is van de lastige marokkaan en de bange blanke belg. En tegelijkertijd compleet tegenovergesteld. En ge begrijpt in de loop van dat stuk beter hoe het komt dat lastige marokkanen lastig doen, dat lastige marokkanen voor een stuk ook maar lastige pubers zijn gelijk alle andere lastige pubers en dat de meeste lastige marokkanen niet levenslang lastig blijven, maar gewoon brave vaders worden die hun kleuters gaan afhalen aan ‘t school. En na de voorstelling sprak ik met J, en dat is de even lastige als welbespraakte marokkaan op wiens leven de voorstelling gebaseerd is en ik moet het zeggen gelijk het is; door dit alles ben ik anders gaan kijken naar lastige marokkanen; met nog meer kennis van zaken, met nog meer inlevingsvermogen, met uitgesprokener standpunten ook.
Zaterdag jl. was het de tweede voorstelling van ‘bang’ en hoe agressief ik ook word van de ‘natuurwet’ dat tweede voorstellingen steeds slechte voorstellingen zijn (die natuurwet dient al te vaak om te verklaren dat de acteurs na de première te veel hebben gedronken om de dag erna nog goed te kunnen spelen), ook deze keer was het weer waar (en Johan had niet te veel gedronken, dat heb ik nauwlettend in het oog gehouden!); het was de slechtste voorstelling ooit van dit stuk. En dat was logisch, omdat iedereen doodmoe was en helemaal leeggeperst en dat was ook ambetant, omdat de zaal vol zat met mensen die een topavond verdienden. En dus een beetje droef te moede reed ik de stad in om nog ergens een pintje te drinken, mijn leven te overdenken en nog wat regieaanwijzingen over ‘bang’ te noteren.
Café Capitole, mijn veilige nachthaven, was overvol en dus moest ik uitwijken. In café Chariffa was er een optreden bezig. In de Arizona zat de juffra, en die kan het niet laten onophoudelijk tegen mij te spreken terwijl ik nog wat notities wil nemen. En zo belandde ik in een ander café in de Gemeentestraat (die de coolste verzameling rare nachtcafés van heel de stad verzamelt) , ik weet de naam ervan zelfs niet, maar het was een café zoals een café hier hoort te zijn. Met te fel licht, te schel lawaai, te schraal bier. En ge kunt er op een avond een paar sigaretten smoren gewoon door in en uit te ademen. (en ik weet het, het is een afwijking; maar in die cafés kan ik dus keigoed werken en schrijven en dromen). En alles wat ik tot nu schreef, was eigenlijk inleiding om goed te vertellen wat ik daar meegemaakt heb.
Ik kwam dat café binnen. Ik installeerde mij aan een tafeltje aan het raam. Jas uit, pots af, haar goed leggen, computer openklappen. Dan een pintje halen. Het belendende tafeltje passeren. De vijf jongens die er zitten toeknikken. Ijskoud aangestaard worden. Verder naar de toog wandelen en denken. Dat zijn dus de lastige marokkanen waarover we het hebben. En beseffen; how, mij koest houden. En glimlachen omdat de clichés zo kloppen. Trainingsbroeken in sokken, petjes die zweven op hun kop, de duistere woeste blik. En efkes checken. De computer staat er nog. En de Poolse dienster betalen. En twintig cent fooi geven. En terugwandelen naar mijn tafeltje. En plots zien dat mijn computer weg is. En bevroren staan kijken naar dat leeg tafeltje. Met een volle pint in mijn hand. En dan na lange seconden de vier resterende lastige marokkanen aankijken. En wederom ijskoud aangestaard worden. En ijskoud terugkijken. En denken godverdomme. Godverdomse vuil vettige … Godverdomse klote kut … En ik heb het woord ‘makakken’ niet gedacht, maar het scheelde niet veel. Ik heb mijn pintje op die tafel gezet. Mijn jas aangedaan. Mijn pots gepakt. En ik ben naar huis gewandeld. Met gebogen hoofd. En oneindig triestig. Om alles wat er gebeurt in het ontembare leven anno 2010.