21 september – Bang: een toneelstuk in de branding van de tijd
Dit is het verhaal van een man in een stad aan het begin van de 21ste eeuw. De man is bang.
Bang om klop te krijgen. Bang om doodgeslagen te worden. En zoals dat gaat in verhalen. Wordt hij op het einde bijna doodgeslagen. Hetgeen volgt is misschien waarschijnlijk wie weet het begin van dat verhaal.
‘Ik lig in mijn bed. Mijne kop staat op ontploffen. Ik voel het aan alles. Ik zit op een punt in mijn leven… Ik moet iets gaan doen. Gelijk dat ik nu bezig zijn, zo kan het niet meer verder. En het goeie is. Eigenlijk kan kik op dees moment nog alle kanten uit. Alles is nog mogelijk. Het kan nog allemaal. Maar het moet wel nu gebeuren. Dat voel ik aan alles. Het. Moet. Nu. Gebeuren. Nu.
Idee na idee, plan na plan, mogelijkheid na mogelijkheid stapelen zich in mijn kop op. Ik voel de onrust en de chaos groeien. Het één idee na het ander schiet door mijne kop. Elk vorig gedachte sleurt een volgende met zich mee. En zo geraak kik door die veelheid, door die chaos stillekesaan totaal in paniek.
En dat is heel raar. Als ge mij nu zou zien liggen dan zoude niet kunnen geloven datdat op dees moment met mij aan de hand is. Ik lig gewoon stil in mijn bed. Mijn ogen zijn dicht. Rustig. Zo persies slaapt kik zelfs al. Maar toch, vanbinnen heerrst den totale paniek. Het is het besef. Dat ge dood kunt gaan. Dat ge echt dood kunt gaan. Datdat kan. En dat is een Onbeschrijflijk. Woest. Allesverscheurend Gevoel.
Zo lig kik ogen toe, wakker in het midden van de nacht, in totale verlamming in mijn bed. Nu pas op, wat kik nu meemaak dat is niet nieuw voor mij. Ik ken deze staat van zijn. Als kind heb kik dat een heel periode bekan elke nacht opnieuw meegemaakt.
Dat begon altijd met iets dat kik gezien of gehoord had. En dan zat kik ineens in plaats van in mijn bed, op de zevenentachtigste verdieping van ne gigantische Amerikaansen Boerentoren die dat kik in ne film in brand had zien schieten. En waarvan dat de lift vlak voor dat ge die wou pakken 87 verdiepen naar benejen stortte.
Soms zat kik ineens op het eiland van Robinson Crusoë en ontdekte ik juist gelijk als hem skeletten van mensen die waren opgeten door menseneters. Maar het ergste was de gruwelijke, loodzware angst voor de boem. Omdat die angst terecht was. De boem kon vallen. En ik wist dat dan mijn moeder mijn vader mijn zuster gingen doodgaan. Heel de wereld ging dood behalve ikke. En zag mezelf rondstrompelen in nen asgrijze kapotte wereld, waardat de straling mijn lijf zou doen rotten mijn tanden, mijn haar gingen uitvallen. En zo ging kik dan uitgeteerd, als allerleste mens uiteindelijk sterven.
Liggend in mijn bed, bijtend in mijn kopkussen vocht kik tegen die waanizinnige beelden. En hoe harder dat kik vocht om der niet aan te moeten denken, hoe meer dat kik het gevecht verloor en hoe dieper en hoe grelliger dat die visioenen werden.
Wanhopig probeerde kik allerhande methoden uit: ik kneep mijn ogen keihard dicht totdat het bonkte in mijne kop, met zelf verzonnen spreuken probeerde kik die beelden te bezweren, ik telde echt waardat heb kik geprobeerd schapen. Ik probeerde schapen te tellen, maar dat hielp niet. Totdat kik op nen dag mijn eigen overgaf. Ik gaf op. Staakte het gevecht. Laat het vuur maar komen. Fret mij op. Laat de boem maar vallen. Maar ze viel niet. Ik wier niet opgefret. Ik schoot niet in brand. Ik viel gewoon in slaap.’