donderdag 5 augustus – vragen over de parkmensen (deel II)
Deze middag weer naar het park gegaan, voor het eerst met het martha-interview-machien, maar vandaag geen goesting en eigenlijk doorgedacht vooral geen moed, niet de nodige sprankel, niet de juiste dosis ‘iedereen-kan-mijne-rug-op’ om mensen geheel ongevraagd ongemakkelijke vragen te stellen. In de plaats daarvan op een bank gaan zitten en naar de mensen gekeken. En me een nieuwe reeks vragen over parkmensen gesteld. Zoals daar zijn; kunt ge aan parkmensen hun gezicht zien vanwaar ze komen? Of denkt ge dat alleen maar te kunnen zien? En in hoeverre zou een filippijnse beledigd zijn moest ik haar een thaise noemen? En waarom spreek ik wel over een afrikaanse man en niet over een europese vrouw? En tussendoor probeer ik zo levendig en krachtig als mogelijk mensen en situaties te beschrijven, zoals ze zich voordoen in een regenachtig park, bij het vallen van de avond. En al na tien minuten moet ik vluchten omdat het nu echt te hard begint te regenen.
een zwarte jongeman met witte draden knoopt zijn voetbalschoenen toe / een mooi aziatisch meisje met plooirok rijdt op een fiets / een voornaam gekleed heertje draagt een knalrode ferari-pet / een alternatief kussend koppeltje, nee ik bedoel een kussend alternatief koppeltje met dreadlocknesten op hun hoofd, kussen op het eerste zicht behoudsgezind / een onvriendelijk ogende acajou-harige vrouw laat een vriendelijk ogende teckel uit / een nog te jong om al zo krampachtig te lopen meisje loopt opvallend krampachtig / twee andere zwarte jongens met witte draden komen soepel over het grasveld aangelopen / het alternatief koppeltje met de dreadlocknesten kust nu plots ook alternatief; ze rollen door het nat en natter wordende gras / er stromen steeds meer donkere jongens toe, allen met witte draden in hun oren, om samen te voetballen en om samen te vloeken op de regen die het komende uur uit de grauwe wolken zal vallen.