Le Carton Contemporain: VERSLAG VAN 9 DAGEN KINSHA- SA IN 8 HOOFDSTUKKEN, EEN INLEIDING EN EEN BESLUIT Dag 5 – 6 Over het eten van rotte foufou, over de congolese vrienden didier en mwonza, over de enigszins dwaze kams en hoe ik ter verdediging van deze kams moet toegeven dat oo
Ge voelt het. Dit verslag wordt al wat minder gestructureerd. Dat komt door die weed misschien, of door de hitte, maar vooral door Afrika zelf. Wachten is hier de normaalste zaak van de wereld. Wachten op het buske. Wachten op een afspraak. Of gewoon wachten op ik weet ni wa. Onder een gigantische baobab ne sucré (ne cola of ne fanta) drinken in afwachting van wat komen gaat. En uiteindelijk dan toch vertrekken. En ergens supertraag naartoe wandelen. Nog een gradatie trager dan slenteren. Dat is hier normaal. Dat duurt enkele dagen, maar al vlug zijt ge dat gewoon. En doet ge mee met den hoop. En al vlug eet ge ook nog maar één maaltijd, gelijk iedereen. Meestal één of andere gedroogde vis met wat bladeren en rijst. En ziet ge hoe de ons vergezellende Congolezen luid smakkend hompen foufou binnenspelen. Dat is een soort deegbal van maniok. Niet te freten. Maar zeer voedzaam naar ‘t schijnt. En als iemand ziek is, dan zeggen ze ; die heeft gisteren rotte foufou gegeten.
Het is eigenlijk een schande dat ik over die ons vergezellende Congolezen nog niets vertelde. Didier, Mwonza en Kams zijn vrienden van de mannen van Time Circus en zouden deze reis onze gezellen zijn, of onze beschermengelen zo u wil. Maar in het begin dacht ik; wat moeten die van ons ? En de eerste dagen kon ik maar niet onthouden wie nu weer wie was. Zeker omdat het een fluïde gezelschap was, dat regelmatig aangroeide met weer andere vrienden van die vrienden. Maar na een paar dagen al was ik maar al te blij dat we door hen werden vergezeld. Vanuit, toegegeven, een enigszins egoïstische reflex. Zij vertelden ons namelijk wat er allemaal naar ons werd geroepen in het lingala. Die verwittigden ons bij regenweer voor stapeltjes plastiek, omdat zij aan die stapeling wel kunnen zien dat daaronder blootliggende electriciteitskabels op ons leven loeren. Die vertellen ons wat er leeft in de stad. Waar ge voorzichtig moet zijn en waar niet. Welke taxi we hier moeten nemen om daar te geraken. En in de loop van de dagen heb ik, zoals dat gaat in reisgezelschappen, ook oprecht genegenheid voor hen opgevat.
Didier en Mwonza zijn allebei boomlang, allebei voormalige basketspelers en verder onderling geheel verschillend. Mwonza’s enorme lijf doet ons met zijn groteske bewegingen permanent glimlachen. En hij lacht zelf zijn gigantische glimlachlippen bloot als hij vertelt van de kippenren die hij aan het opzetten is. Dat de twee kippen nu volgend jaar vijf kippen zullen zijn. En het jaar erna tien kippen zullen zijn. En wij begrijpen het systeem, maar hij vervolgt voor alle duidelijkheid ; en het jaar erna worden dat er twintig. En het jaar erna worden dat er veertig. En weer knikken wij begrijpend, maar hij laat zich deze heerlijke dagdroom niet zomaar ontnemen en één keer, op het terras van de Club Nautique, heeft hij mij voorgerekend dat hij over tien jaar een kippenboer zal zijn met duizend kippen. Prachtige, malse Congolese kippen. En hij wil me voorrekenen hoeveel eieren per dag hij kan verkopen. Maar dan laat zijn basiswiskunde hem in de steek. En zucht hij tevreden ; ‘ça serais beaucoup’. Ik kan nu, maanden later, geen eike ni meer eten zonder te denken aan Mwonza en zonder te vrezen dat zijn kippen misschien terug gestolen zijn, gelijk vorig jaar.
Didier daarentegen is bedachtzaam en oneindig melancholisch. De eerste weken terug thuis heb ik Didier gemist. En nu soms nog. Hij is mijn enige ware Congolese vriend. Waarom ? Awel, ge zoudt de verloren tekst moeten lezen die ik aan die vraag heb besteed. Om dat tevergeefs uit te leggen. Want dat valt niet uit te leggen, zo blijkt . Net zoals het niet uit te leggen is waarom ik mijn belofte hem mijn kinderboek op te sturen voor zijn dochtertje, niet gestand heb gehouden. Zo onuitlegbaar gaat dat blijkbaar, met vrienden die ge niet meer ziet. Tot ik hem op een late avond, maanden later, in een soort van wroeging opbelde. Maar geen gehoor vond. En hem diezelfde avond een brief schreef, die nooit werd beantwoord. Misschien wilde hij niet meer antwoorden, wegens voor de zoveelste keer door ons in de steek gelaten. Of misschien was hij zoals op de laatste avond aangekondigd al onderweg naar Europa, en zou hij eerstdaags aan mijn deur staan. En ook dat heb ik mij al afgevraagd ; wat zou ik doen moest hij eerstdaags om ons deur staan ? Ik zou blij zijn. Oprecht blij zijn. En hem trots mijn huis, mijn thuis en mijn stad tonen. En daarna ? Wat daarna ?
Kams vond ik eigenlijk een beetje een dwaze gezel. En ik heb er al direct spijt van, dat ik dat zo schrijf. En toch is het waar. Moest om welke reden dan ook deze tekst ooit in het Frans worden vertaald, dan gaat deze alinea eruit. Maar nu laat ik het staan. Omdat deze inderdaad wat dwaze Kams van al de mensen die ik in Kinshasa heb ontmoet, de enige is die openlijk leed aan het moeizame leven daar. Ik heb het me er in die negen dagen regelmatig afgevraagd ; hoe zou het mij hier vergaan ? Zou ik blijven lachen en dromen, zoals Mwonza ? Zeker niet. Zou ik mijn lot met weemoed dragen, gelijk Didier ? Ik vrees het niet. Ik zou een slang zijn en me medogenloos en zonder omzien een betere toekomst proberen bijeen te bedriegen. En als dat niet zou lukken, dan zou ik zot worden. Of op zijn minst manisch depressief. Gelijk dus Kams, die de meeste tijd lethargisch voor zich uit zit te staren op zijn witte plastieken stoel. En uit wijnkurken afrikaanse drummetjes snijdt. Maar op de meest onverwachte momenten vertoont hij, om onverklaarbare redenen, plots opstoten van optimisme, daadkracht en vitalisme. En deelt hij driftig high-fives uit. Lacht hij zijn scherpe tanden bloot. En verricht hij de gekste acrobatische danspassen. Om na deze opflakkering weer voor uren op zijn witte plastieken stoel neer te zakken. Om tenslotte verder aan die drummetjes te werken. Ze aan een ketting te rijgen en ze prachtig met reggaekleuren te versieren.
Die sierraden zouden aan ons geschonken worden, dat was al weken duidelijk. En inderdaad, de ochtend van ons vertrek kreeg iedereen zo een reggaedrum omhangen. Iedereen, behalve de Sven. Die kreeg een ketting met zeker tién drums. En méér kralen. En méér reggae-kleuren. En zo werd Sven, gelijk altijd, tot opperhoofd van het gezelschap gekroond. En allemaal liepen we die laatste dag zo wat lacherig rond met onze kettingen. In het vliegtuig zag ik ze één voor één verdwijnen onder puls en truien. Behalve bij de Sven. Die is zo van den trein gestapt in Berchem. Met al zijn kettingen.