Le Carton Contemporain: VERSLAG VAN 9 DAGEN KINSHA- SA IN 8 HOOFDSTUKKEN, EEN INLEIDING EN EEN BESLUIT Het tussengevoegde hoofdstuk van de angst – Over hoe wij allen onze rol spelen, over lynchpartijen en melsbroek, over bang zijn en bang gemaakt worden – een opstel opgestuurd naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Belgie

We waren na deze lange verwarrende dag bijna weer aan het hotel. De avond viel. En gelijk altijd waren de straten vol met mensen op weg naar huis. En gelijk de vorige dagen was alles heel gewoon overweldigend, tot er ineens in de gewone herrie een ongewoon geroep klonk, overgenomen door ongewoon veel volk en ik zag, ik voelde hoe mensen achter ons aan begonnen lopen. En al snel rondom ons heen drongen. En schreeuwden. En kwaad waren voor ik weet niet wat. De adem stokte in mijn keel. Mijn hart sloeg een paar tellen over. En ik werd bang gelijk ik de laatste jaren niet meer bang ben geweest.

De vorige dagen was ik ook al bang geweest, toen we door de omstaanders waren toegejuicht en ik zag dat er groepen jonge mannen niet mee schreeuwden, maar ons integendeel woest aanstaarden. Toen onze bus in een opstopping zat en er andere jonge mannen op de deuren trommelden. Toen die soldaten ons tegenhielden in die steeg. Toen we in de fabrieken werden gevolgd door piepjonge militairen met mitrailleurs. Toen op een overdekte markt honderden vrouwen begonnen te gillen terwijl we tussen de kraamkes liepen. Maar dat alles diende slechts als opmaat voor dit. Seconden van pure doodsangst.

We stapten zonder omkijken door. Het geroep nam af. En een minuut later was het of dit alles niet was gebeurd. We kwamen in het hotel. En iedereen deed heel gewoon, alsof er niets gebeurd was. Behalve de Sven, die had gelukkig hetzelfde gevoeld als ik, zo verwoordde hij het in zijn onderkoelde Sven-stijl ; ‘ik dacht dat ze beslist hadden dat het tijd was om nog eens een paar mundele (blanken) te lynchen’. Zo had ik het ook gevoeld ; dat we zonet aan iets onbeschrijflijks waren ontsnapt. En ik ben nog natrillend naar mijn kamer gegaan en heb nagedacht over bang zijn. En ik heb er sindsdien veel aan moeten terugdenken, aan die avond. En ik heb er terug in Belgie, veilig verscholen in café Capitole in de Gemeentestraat, dit hoofdstuk over geschreven. Omdat het voor mij een essentie van deze reis raakt. Over bang zijn. Over bang gemaakt worden.

Ik heb, denk ik, de reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse zaken iets te aandachtig gelezen. Ik vond dat ook niet meer dan normaal als min of meer verantwoorde vader van drie welpkes ; Congo was (en is nu nog steeds) een land in staat van oorlog. En zo stond het met betrekking tot Kinshasa op die website geschreven in flikkerende blokletters ; dat het in alle omstandigheden stellig wordt afgeraden zich te voet in de stad te begeven. Dat het gebruik van het openbaar vervoer stellig wordt afgeraden. Dat er wordt aangeraden zich per auto én in kolonne door de stad te begeven. Dat er een permanent gevaar is voor manifestaties en oproer. Dat er een permanent gevaar is voor gewelddadige overvallen. Dat men in geval van verkeersongevallen aangemaand wordt de plaats van het ongeval onmiddellijk te verlaten en zich tot de diplomatieke functionarissen te wenden. Enzovoort…Met deze adviezen wordt toch minstens gesuggereerd dat men een levensgevaarlijke stad betreedt ? Met een ons vijandig gestemde bevolking ? En zo heb ik me de eerste dagen ook gedragen. Zo onzichtbaar mogelijk voor de rest, natuurlijk. Ik flipte mij een oog uit toen we de eerste avond al te voet de stad introkken. Kennis maakten met de ‘ongecontroleerde militaire groeperingen’ in dat steegske. Ik vond het ergens onverantwoord toen we urenlange wandeltochten maakten door de stad of ons met z’n allen in zo’n buske wrongen om naar de andere kant van de stad te rijden. Ik speelde een paar dagen lang zo goed mogelijk mijn rol van onverschrokken wereldreiziger, maar in werkelijkheid sloop ik door de straten, fantaseerde ettelijke gewelddagige taferelen bij elkaar, verzon de koppen in de ochtendkrant op onze keukentafel. Dat we het zelf gezocht hadden. En alle veiligheidsmaatregelen met voeten hadden getreden. Zag Karel De Gucht in hoogsteigen persoon mijn verhakkelde lichaam verwelkomen in Melsbroek. En vooral ; ik voelde mij zo’n bange blanke burger. Temidden van de wereldreizigers die van dit alles geen last schenen te hebben, die zich ontspannen doorheen de straten bewogen en mij af en toe meewarig aankeken.

De volgende ochtend besliste ik niet meer bang te zijn. Of toch zo weinig mogelijk. En dat was niet makkelijk. Want die ochtend zagen we hoe een dief door een tiental mannen op enkele seconden tijd genadeloos in mekaar werd getrapt, tot hij voor dood op de grond bleef liggen. Zo lossen de Kinois dat onder mekaar op, bij gebrek aan een functionerende politiemacht. En diezelfde dag hield een man mij staande aan de ingang van een markt. En achtte mij persoonlijk verantwoordelijk voor de plas. Ziet ge die put hier in de grond ? Dat dat mijn schuld was. Die put. En de bijhorende plas.

Maar twee avonden later al liep ik alleen naar het hotel. Enigszins noodgedwongen, want de Seba en de Soli hadden nog lang geen goesting om naar het hotel te gaan. En ikke wel. Het was een tocht van een kleine kilometer langsheen een van de smog mistige baan, in het licht van duizend koplampen, voorbij oneindig veel witte tafeltjes met nog oneindig veel meer zwarte mensen. Die verrast hun witte tanden blootlachten. En ‘mundele mundele’ riepen. Veilig aangekomen in mijn bed voelde ik mij voor het eerst efkes één met deze stad, met deze vreemde wereld. Terug op weg naar huis, veilig hoog boven de wolken, nam ik me voor dit nog te schrijven hoofdstuk op te sturen naar het Ministerie van Buitenlandse zaken. Om hen te vertellen dat we in de cités op de eerste plaats vorstelijk waren ontvangen en met de beste zorgen waren omringd. En dat ik me verplicht voel om hen te vragen om hun reisadviezen op zijn minst te nuaneren. Zodat de volgende blanke burgerman die beslist Kinshasa te bezoeken zich niet meer zo belachelijk maakt als ik. En zo bang.

En hier past, ter afronding, een tweede ode aan de reisleiders van Time Circus. De tweede helft van ons verblijf voelde ik me ongelooflijk bevoorrecht Kinshasa op deze manier te kunnen bezoeken. Te voet, in die buskes, strunkelend langs spoorlijnen, feestend op Congolese feesten. En niet, zoals dat in elk ander gezelschap zou zijn, in colonnes 4×4’s. Veilig opgesloten in de Europese wijk. En op partijtjes van het Centre Culturelle de la Wallonie.  Nee, ge hoort mij niet zeggen dat ook ik op die paar dagen tijd een wereldreiziger ben geworden. Wie ge zijt kunt ge niet veranderen. Daar kunt ge alleen maar aan schaven. En ik schaaf al heel mijn leven. Tevergeefs.

— Geschreven door Bart op 22 Feb 2010