Le Carton Contemporain: VERSLAG VAN 9 DAGEN KINSHA- SA IN 8 HOOFDSTUKKEN, EEN INLEIDING EN EEN BESLUIT Dag 2 – De dag die al een dag duurde voor hij begon, de oneindige dag van de treinassamblagefabriek, de hallucinant verroeste scheepswerf en haar wenende kinderen, de dag die eindigde in oneindige seconden aftellen naar mijn bed

Veel te kort geslapen. Wakker geworden van onrustwekkend geroep en getier aan mijn raam. Opstand ? Oproer ? Nee. Nen busstop. Voor de deur van ons hotel is een busstop. Het is te zeggen, een busstop op zijn Congolees. Dat zit zo. Het officiële openbaar vervoer van Kinshasa is al jaren compleet naar de wrat, afgezien van enkele interprovinciale lijnen. U doorheen de stad verplaatsen gebeurt nu met tot buskes omgebouwde wrakken van bestelwagens. Stelt u zo’n camionetje voor van laswerken Lasgo uit Dendermeerbeek (letterlijk !), maar dan met het gehele interieur gesloopt. In de plaats zijn vier ultradunne houten bankskes gekomen, voor telkens vier mensen. In de zijkanten zijn kleine ronde gaten gefreesd voor de verluchting. En in de zijdeur staat er ene te roepen, die de rol van conducteur speelt en die roept van ; ‘wij gaan naar daar en naar daar’ en de chauffeur ondersteunt dat door passende gebaren. Met de hand bijvoorbeeld klokgewijs cirkeltjes draaien blijkt voor de kenners ‘aan het vierde rond punt rechts’ te betekenen. En zo komen dus per uur honderden buskes voorbij en aan elke bushalte (dat is niet aangegeven, dat is gewoon waar een hoop mensen samenstaan, zo lijkt het) minderen die vaart, roepen die en stoppen die om er nog iemand bij in te proppen, in da buske.

En het zijn niet alleen die conducteurs die roepen, maar ook de jongens die iets verkopen. Die hebben allen een prachtig kunstwerk op hunne kop, een indrukwekkende stapeling van kleurrijke dozen en bakskes, met daarin sigaretten, of snoep, of tikkeneikes. De verkopers van de tikkeneikes zijn de allerschoonste ; die hebben stapels van die eierkartons van zestien eieren op hunne kop. Den ene nog meer dan den andere. Zo precies om ter meest. Dat die eieren daarop blijven is een wonder. En al die verkopers die hebben hun eigen geluidje. Hun eigen sis. Hun eigen roep. Hun eigen gefluit. Zodat ge – als ge Congolees zijt tenminste – automatisch weet, zonder te kijken ; ha daar komt er ene met eikes, hmm daar heb ik wel goesting in.

En daar sta ik dan. Op mijn stoffig balkon te kijken naar een stukske miljoenenstad. Aan de overkant staat nen os aan ne paal. Aan diezelfde overkant een stuk of vier, vijf geimproviseerde garages. Heel schoon is dat. Dat is gewoon ne put in de grond met twee aarden stutten aan weerszijden, waar ge moet oprijden met uwen auto. Als het al niet te laat is. Want aan de overkant staan ook zeker een stuk of tien wrakken, waarvoor elke hulp vergeefs is. De straten van Kinshasa staan tjokvol met wrakken. Logisch. Want de straten van Kinshasa zitten tjokvol met putten. Waardoor ge, gelijk hier voor het hotel, de straat moet verlaten en over de middenberm verder moet rijden. En zie, het ontbijt moet nog beginnen en ik ben weeral een blad verder.

Ontbijt betekent de komende tien dagen een tas thee, een sandwich en een gebakken ei. Elke dag één. Het ontbijt wordt genoten op de binnenkoer van het hotel, dat de volgende nachten ook een feestzaal blijkt, voor bruiloften allerhande. Die binnenkoer is rondomrond omgeven door gespiegeld glas zodat ge, vanwaar ge ook zit, uw eigen in veelvoud die sandwich met ei ziet opeten. Wat Sven na enkele dagen en tal van hallucinante en soms angstaanjagende momenten (dit is een truc om u ondanks de lengte van dit verslag toch verder te doen lezen), wat Sven dus op een ochtend deed verzuchten dat het dagelijkse ontbijt daardoor voor hem het meest traumatische moment van de reis is. Ik heb door die terloops geplaatste opmerking dusdanig de slappe lach gekregen dat zelfs het verder onverstoorbare hotelpersoneel naar mij kwam kijken.

En dan zijn we pas echt vertrokken. Met onze gecharterde bus naar de treinassamblage-fabriek van de nationale spoorwegen. Dat zit zo ; we zijn hier niet op verlof, nee, we zijn hier als voorbereiding op een project. En veel is er nog niet geweten van dat project, maar wel dat het uitgangspunt is dat we gaan kijken of we iets theatraal kunnen doen op, rond, of met de spoorweg die Kinshasa van west naar oost doorklieft. In die treinassemblagefabriek werden we, gelijk welhaast overal, even hartelijk als plechtig ontvangen door de chef van de fabriek. Die dan, gelijk bijna overal, al vlug slechts een sous-chef bleek, door de komst van een hogere chef. Die dan weer werd afgelost door een inderhaast aangevoerde nóg hogere chef. En dat soms met per bezoek een chef of vijf zes. Prachtig is dat, zeer onderhoudend en een tikje carnavalesk. En zo merkte Dirk even poëtisch als terecht op ; ‘de uitingen van prestige zijn hier iets minder subtiel dan bij ons’. De fabriek zelf was een prachtig staaltje van archeologische industrie. Enorme stalen machines van Belgische makelij uit de jaren dertig veertig, veelal perfect geconserveerd wegens al jaren buiten gebruik, maar dagelijks en minutieus onderhouden.

De namiddag bracht ons naar de scheepswerf van Kinshasa waar ergens de boot van president Kabila ligt aangemeerd. Niet dat wij die boot ook maar vanuit de verste verte gezien hebben (toen we enigszins verdwaald toch in de richting van die boot afzakten, werden we onmiddellijk door een roedel vervaarlijk uitziende militairen mét mitrailleurs terug in de juiste richting gedreven). Maar het simpele feit dat die boot van Kabila daar ligt, maakt dat heel die enorme scheepswerf een oninneembare vesting is, met bewapende wachtposten aan de uitgang. En net dát maakt die scheepswerf een even geïsoleerde als hallucinante stad in de stad. Ge hebt er het majestueuze vloeien van de Congostroom, de vergane industriele glorie van de werf  en de immense droogdokken zijn bezaaid met prachtige edoch totaal verroeste platbodems (denk aan de varende paleizen van New Orleans, maar dan fragiel geworden als ros roestig kantwerk). En op en tussen al die boten wonen mensen, gezinnen met nen helen hoop klein blote kindjes, die de slappe lach krijgen of hartsverscheurend beginnen wenen als ze ons tussen de schepen zien opdoemen. Witte spoken uit een andere wereld. Het is inderdaad aannemelijk dat zij door het isolement van de werf nooit eerder witte mensen zagen. Er misschien zelfs geen notie van hebben dat witte mensen bestaan.

De witte mensen hebben de avond doorgebracht in een restaurant op het dak van een prachtige le corbusier-achtige building, maar nogmaals, geheel vervallen. Dusdanig vervallen dat er een stukske oerwoud verticaal tegen de gevels groeit ; struiken en zelfs bomen. Beneden wordt de schijn nog opgehouden door een rode loper en een man in een liftboy-kostuum. Maar de lift was buiten dienst en verdieping na verdieping was het prachtige gebouw meer en meer gestript. Meubels weg, verwarming weg, parket weg. Alles weg. Boven hadden we een glorieus zicht op de stad, de groene heuvels in de verte, de machtige stroom. Al was dit spook eigenlijk te moe om te genieten en telde ik daarboven vooral de eeuwige seconden die mij scheidden van mijn bed. En van mijn maniakaal mugdicht gemaakte klamboe.

— Geschreven door Bart op 22 Feb 2010